Geboren maart 1940 te Erp, middelste van negen kinderen, vader had een boerderij/tuinderij.
Bert kwam ter wereld in het dorpje Erp in Oost- Brabant, maar bracht het grootste deel van zijn leven door in Teteringen. Hij wilde als jong manneke broeder bij de SVD worden en was al aardig onderweg, toen hij besloot om toch maar voor een ander leven te kiezen. Hij trouwde met Lenie uit Heeze, met wie hij twee dochters kreeg. Later volgden vier kleinkinderen, Na enkele omzwervingen als kok kwam Bert in 1974 weer in het Missiehuis terecht waar hij tot zijn pensioen de keuken bestierde. Daarna ging hij er vrijwilligerswerk doen, samen met Lenie. Het Missiehuis werd hun tweede thuis.
Het woord is aan Bert:
Jeugd en gezin
“Ik ben de vijfde van negen kinderen, geboren in een katholiek boerengezin, kort voor de Tweede Wereldoorlog. Onze boerderij lag aan de rand van het dorp, omringd door het groene Brabantse land. We hadden koeien, varkens, kippen en later ook tuinbouw. In mijn jeugd hadden we geen elektriciteit en geen stromend water. De dagen werden verlicht door de flakkerende vlammen van olielampen en kaarsen.
Voor het water was er een oude pomp in de keuken. Met een zwengel haalden we het water naar boven.
Toen de oorlog zich in onze regio aankondigde, werd ons leven volledig op zijn kop gezet. Tijdens de terugtrekking van de Duitse troepen via de corridor Eindhoven–Nijmegen–Arnhem, moesten wij in een zelfgemaakte schuilkelder onderduiken. De angst was constant aanwezig; toen het te druk werd met de tanks om je heen, vluchtten we te voet naar familie in een naburig dorp. De bevrijding bracht wat opluchting, maar een van de meest ingrijpende gebeurtenissen was het neerstorten van een vliegtuig op ons land. Het boorde zich diep in de grond en lag daar als een stille getuige van de verwoestingen. Het wrak werd uiteindelijk door onszelf deels gesloopt, een herinnering die voor altijd zou blijven.
Opleiding en keuze voor het kloosterleven
Mijn jeugd werd gekleurd door de verhalen die ik als jongen hoorde, vooral door een missiefilm die een SVD-pater op de lagere school vertoonde. Die film raakte iets diep van binnen en zo begon mijn roeping om broeder te worden. Mijn broer was al aan de priesteropleiding begonnen en ik wilde zijn voorbeeld volgen. Maar er was iets anders dat ook mijn interesse wekte: koken. Tijdens vakantiekampen van de verkenners was ik degene die het eten mee verzorgde en ik ontdekte al snel dat ik het koken graag deed.
In september 1953, op 13-jarige leeftijd, ging ik naar het Missiehuis in Teteringen. Een bruisende plek van arbeid en gemeenschap. Daar begon mijn opleiding, met als doel broeder worden. Het eerste jaar kwam ik bij een groep van 25 jongens die ook een vakopleiding deden en broeder wilde worden. Naast mij waren er nog 100 jongens die de opleiding voor priester deden. Ik begon mijn opleiding als kok in de keuken in de kelder van het Missiehuis. Hier werden maaltijden bereid voor alle bewoners en studenten. De keuken was eenvoudig, maar het was er altijd gezellig. In de gang van de keuken was er ook nog een schoenmakerswerkplaats, een bakkerij, een smederij, een boekbinderij en een linnenkamer. De andere jongens van onze groep gingen naar een vakopleiding in de omliggende plaatsen. De slaapzalen op de zolderverdieping waren groot, met chambrettes voor ieder van ons. Het Missiehuis was een soort zelfvoorzienend dorp met een eigen groentetuin, bloementuin en een boerderij.
Verder verloop van de opleiding
In 1954 verhuisden de broederkandidaten naar het nieuw internaat in Deurne, waar ik mijn opleiding tot zelfstandig kok vervolgde. Het noviciaat begon op mijn achttiende, een periode van inwijding en toewijding. Maar naarmate de jaren verstreken, merkte ik dat het kloosterleven steeds minder aansloot bij mijn persoonlijke wensen en idealen. Na enkele geloften en gesprekken met een vertrouwenspersoon, besloot ik in april 1962 uit te treden.
Werk en militaire dienst
Het was een grote stap, maar ik vond al snel werk in een horecazaak in Limburg. Niet lang daarna kreeg ik de oproep voor militaire dienst. Daar volgde ik de koksschool in Leiden, een opleiding die me later nog goed van pas zou komen. Tijdens mijn diensttijd beleefde ik enkele bijzondere momenten: het mede bereiden van erwtensoep voor de erewacht van militairen bij de begrafenis van Koningin Wilhelmina in 1962 en heb ik twee weken mogen werken bij de militaire generale staf in de Witte Societeit in Den Haag waar Prins Bernard ook wel eens kwam. Als oefening leerden we primitief je eigen potje koken op het strand. Dit kwam goed van pas bij de grote oefeningen in Duitsland met een veldkeuken waar we ook met primitief materiaal de maaltijden klaar moesten maken voor een grote groep. Na enkele omzwervingen van kazernes in Nederland zwaaide ik af als korporaal in 1964. Het was een leerzame tijd, waarin ik veel nieuwe vaardigheden leerde.
Loopbaan na de diensttijd
In 1964 kreeg ik een baan als chef-kok bij een internaat van de paters van de Heilige Harten in Sint-Oedenrode. Dit was de start van een nieuwe fase in mijn leven, maar in 1970 werd het internaat gesloten en werd het pand omgevormd tot een kliniek voor alcohol- en drugsverslaafden. In 1974 werd ik benaderd door de toenmalige chef-kok van het bejaardentehuis in Teteringen, Zuiderhout. Gezien mijn gezinssituatie – ik was inmiddels getrouwd en had twee kinderen – besloot ik voor een vaste functie te kiezen in de bejaardenzorg.
In maart 1974 begon ik in Teteringen bij het Missie- en bejaardenhuis Zuiderhout en verhuisde in mei naar Teteringen. In januari 1975 werd een nieuwe vleugel geopend met veertig appartementen en we begonnen maaltijden te verzorgen voor ongeveer 120 bewoners. De werkzaamheden waren intensief: ons werk bestond toen nog uit veel handwerk, zoals aardappelen schillen en pitten, ook de groenten klaar maken en zelf het vlees nog portioneren. We kookten toen nog onder druk van stoom dat van uit de kelder door olie gestookte ketels naar de kookketels getransporteerd werd, wat ook wel eens fout ging.
In die tijd was er een eetzaal waar één menu werd geserveerd voor de bejaarden uit het klooster en een gemeenschappelijke eetzaal voor de paters die rechts naast het klooster in bugalows woonden. Voor de nieuwbouw werd per persoon opgeschept in dekschalen en ging met warmwagens naar de appartementen. Ik kreeg wel te maken met veel diëten. De weekmenu’s maakte ik dikwijls thuis vanwege tijdsgebrek. Ook waren er soms kloosterfeesten, diners, buffetten en begrafenissen naast het reguliere werk. Gelukkig kreeg ik veel hulp van de zusters uit Etten in de vorm van afwassen of ondersteuning in de eetzaal.
Modernisering van de keuken
Begin jaar 1992 was het idee om een nieuwe keuken naar de begane grond te brengen tussen de nieuwbouw en het klooster. Er werd een plan gemaakt met een ontwerp samen met een adviseur, waar nu de Biënkorf is. Maar er werd duidelijk gemaakt dat er dan te weinig algemene ruimte voor de bewoners zou zijn, dus kon het idee weer de kelder in. Er werd toen voorgesteld om de keuken te sluiten en de maaltijden van buiten te laten komen. Dat is gelukkig voorkomen door toch maar een renovatie te doen en te moderniseren, dat is de keuken die er nu is. We hebben drie maanden het warme eten van Vughterhage gehad tijdens het renoveren waar we zelf meekookten. Het koude gedeelte bleven we in het Missiehuis verzorgen.
Vrijwilligerswerk en betrokkenheid bij Zuiderhout
Na mijn pensioen begon ik samen met mijn vrouw vrijwilligerswerk voor het Missiehuis. We hielpen bij begrafenissen en diners en later richtte ik een biljartclub op samen met een bewoner. We mochten het oude biljart van de SVD-broeders opnieuw in gebruik nemen wat op zolder stond. Het was een kleine manier om bij te dragen aan het sociale leven binnen het Missiehuis en het gaf me veel voldoening om te zien hoe bewoners elkaar vonden in deze gezamenlijke activiteit. Nog steeds begeleidde ik twee keer per week de club, ook al ben ik zelf op leeftijd, ik doe dit met veel plezier. Daarnaast hielp ik bij de organisatie van rommelmarkten, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de Vrienden van Zuiderhout. In de tachtiger jaren was ik actief in de bloementuin van het klooster, waar ik paden aanlegde zodat bewoners met rolstoelen de bloementuin konden bezoeken. De tuin lag aan de rechterkant van het klooster, met een serre erbij waar tegenwoordig het golfveld is.
Samen met mijn vrouw heb ik tientallen jaren vrijwilligerswerk gedaan op Zuiderhout.
En dat doe ik nu nog steeds, helaas zonder mijn vrouw die mij kortgeleden ontvallen is. Het was voor mij belangrijk om ook na mijn actieve loopbaan betrokken te blijven bij het welzijn van de mensen die hier woonden.”
